Het Marineblad in 2012
Marineblad nr. 3, mei 2012
Dit hele nummer bekijken? Klik hier.
Klik hier voor de inhoudsopgave.
Column Rob Hunnego
Samenwerking?!
De afgelopen weken stond Defensie weer volop in de schijnwerpers. helaas ging dat niet uitsluitend over de uitstekende operationele prestaties die dag in dag uit worden geleverd, maar ook over randverschijnselen en schandalen.
Het grootste schandaal betrof de stiekeme benoeming van een burgermedewerker tot burgergeneraal, herstel, brigadegeneraal. Betrokkene is vast en zeker een bekwaam bestuurder maar met deze achterkamertjesbenoeming wordt volledig voorbijgegaan aan de kennis en ervaring die de militaire professie kenmerken. Na het voorstel door de ambtelijke defensietop om de militaire ambtenarenstatus af te schaffen, is dit opnieuw een klap in het gezicht van de professionele militair, van hoog tot laag. En dat ook nog in een tijd dat kolonels in knelpuntcategorieën zitten en er een overschot bestaat aan vlag- en opperofficieren, dus geschikte kandidaten genoeg.
Het lijkt er op dat de defensieleiding geen behoefte meer heeft aan vertrouwen in en draagvlak voor hun besluiten door de mensen in de organisatie. Het is al zo dat bedrijfsvoeringsaanwijzingen sinds kort in het georganiseerd overleg worden voorgehangen, om te voorkomen dat afspraken tussen werkgever en werknemers in de uitvoering niet worden nageleefd. In plaats van samenwerking wordt het nu tegenwerking en dat in een tijd dat de problemen huizenhoog zijn. De defensieleiding zou zich moeten schamen voor het ontstaan van deze situatie. Loyaliteit lijkt binnen Defensie eenrichtingsverkeer te zijn geworden: van de krijgsmacht richting de ambtelijke leiding.
Inmiddels is duidelijk dat het Catshuisberaad niet tot een oplossing heeft geleid. Er komen nieuwe verkiezingen. Los daarvan moet er nog steeds 1 miljard euro aan bezuinigingen van 8 april 2011 gevonden worden. Minister Hillen zoekt daarvoor onder meer internationale samenwerking. De Belgisch-Nederlandse Samenwerking (BENESAM) tussen de marines van beide landen wordt daarbij als voorbeeld gesteld: opleidingen samen verzorgen, dezelfde scheepstypes (M-fregatten en tripartite mijnenjagers) gebruiken, dezelfde (NAVO-)procedures, dezelfde bedrijfsvoering, het onderhoud maximaal efficiënt inrichten. Op zichzelf een goede ontwikkeling.
Maar ook aan die intensieve samenwerking zit een grens en de door minister Hillen voorgestelde volgende stap van multinationale bemanningen is naar mijn mening een brug te ver. Operationele eenheden kunnen door hun respectievelijke regeringen naar believen ingezet worden om de nationale belangen te behartigen. Met bi- of tri-nationale bemanningen wordt dat onmogelijk: gaan Belgische schepelingen en officieren mee met een Nederlandse OPV voor de drugsbestrijding in de Overzeese delen van het Koninkrijk der Nederlanden? Of gaat Nederland de besluitvorming tot continuering van deelname aan de Joint InterAgency Task Force op Curaçao voorleggen aan het Luxemburgse parlement?
Zij aan zij opereren gebeurt ook nu al, elk schip met nationale Rules of Engagement en caveats. Natuurlijk kan een boardingteam van het Korps Mariniers inschepen op een Belgisch schip en kan een Belgische helikopter compleet met boordvliegtuigploeg inschepen op een Nederlands marineschip. Maar vanaf dat platform opereren dergelijke modules onder hun eigen ROEs, met caveats en red card holder.
En daar houdt de samenwerking volgens mij op, tenzij de Nederlandse regering alle artikel 100-brieven óók naar het Belgische en Luxemburgse parlement stuurt of de Tweede Kamer besluiten over inzet van Nederlandse militairen overlaat aan het Belgische of Luxemburgse parlement. Ik heb nog een praktische vraag: hoe zien de vlag en de geus van de Benelux er eigenlijk uit? Naar welke vlag sla ik het oog naar boven, welke vlag verlaat ik nooit?
Ik wens u veel leesplezier.
Reageren op deze column? voorzitter@kvmo.nl
Reageren op artikelen in het Marineblad? marineblad@kvmo.nl
Eerdere nummers bekijken of downloaden? Klik hier
|
| |