Top zonder berg
6 februari 2012
Afgelopen donderdag was ik bij de door de KVMO-werkgroep Jongeren georganiseerde sessie ‘Toekomstperspectief jonge marineofficieren deel 2’. Dit was een vervolg op de eerdere sessie ‘Toekomstperspectief jonge marineofficieren’, gehouden op 12 mei 2011, kort na het uitkomen van de beleidsbrief van de minister van Defensie op 8 april 2011.
Er was een grote groep jonge marineofficieren aanwezig, officieren der mariniers en vlootofficieren. De groep had gemakkelijk nog groter kunnen zijn als de afwezigen niet datgene hadden gedaan waarvoor ze bij de marine zijn gekomen: het leveren van veiligheid op en vanuit zee. Voor de afwezigen wordt er een uitgebreide terugkoppeling verzorgd, waarin ook de vlagofficieren dienstoudstes geïnteresseerd zullen zijn.
Hoofd P&O CZSK gaf tijdens de bijeenkomst aan: ‘Hoewel we in de toekomst helaas groepen medewerkers zullen moeten laten gaan, moeten we ook werken aan de instroom en het behoud van andere groepen om het operationele product van de organisatie te kunnen garanderen.’ De lastige situatie waarin P&O zich op dit moment bevindt, wist hij treffend te illustreren met een foto van een circusartiest in spagaat.
Naar aanleiding van die sessie (waarover is getwitterd, op het defensie intranet en op de KVMO-website is gepubliceerd) kreeg ik veel - en alleen maar – positieve en geïnteresseerde reacties. Eén positiefkritische reactie wil ik u niet onthouden:
‘Zeker een bijzonder interessant en leuk thema….. Maar......aan de andere kant is het frappant dat dit soort zaken nog steeds separaat opgepakt worden en dat de kansen en mogelijkheden maar ook bedreigingen dus per krijgsmachtdeel schijnbaar blijven verschillen. Zo langzamerhand is het mijns inziens telkenmale met afzonderlijke sessies een gemiste kans om de organisatie op dit soort aspecten niet meer en meer naar elkaar toe te laten groeien.’
Ik ben geïnteresseerd in úw opinie daarover.
Overigens wordt aan deze gedachte al door de FVNO|MHB (waarbij de KVMO is aangesloten) inhoud gegeven door de Defensie Ontwikkel en Netwerkdag op 12 april. Meer hierover op www.prodef.nl/DONDerdag-2012 .
In mijn ogen zijn krijgsmachtbrede verschillen in visie op loopbaan- en carrièrebeleid voor hoofdofficieren moeilijker uit te leggen dan in de opeenvolging van operationele subalterne functies, in aanloop naar de operationele hoofdofficierfuncties.
Binnenkort worden de knelpuntcategorieën besproken met de centrales van overheidspersoneel. Daaruit zal naar mijn mening al te destilleren zijn hoe de hoofddirecteur personeel in deze discussie staat. Zo is bij de C-LAS enige tijd geleden gesteld dat er niet in de MD-functies wordt gesneden. In het verlengde daarvan, zullen MD-ers logischerwijs niet of nauwelijks in de categorie herplaatser terechtkomen – en zullen dus geen knelpuntcategorie kunnen zijn. Het aantal ‘toppertjes’ neemt hierdoor relatief toe, waarna er bij een norm van 20% (ik doe een gooi) van het personeelsbestand er vervolgens MD-ers weer niet-MD-ers zullen worden. Want stel dat 100% van de kolonels MD-er is, zal voor een deel de carrière, bij een gezonde personeelsopbouw, toch op dat niveau stoppen. Aan de andere kant van het spectrum zit het CZSK. Bij mijn weten heeft CZSK formeel geen MD-functies benoemd, noch bestaat die kwalificatie als functie-eis, als in: ‘moet MD-er zijn’.
Alsof het zo moet zijn valt mijn oog in de Volkskrant op een verwijzing naar een Chinees spreekwoord: “Er zijn bergen zonder top, maar geen toppen zonder berg”… Dat slaat immers zowel op het belang van subalterne officieren voor de marineorganisatie als op het MD-beleid van Defensie.
Uw voorzitter
Reageren?
|