Home Contact Lid worden AAA
   

Urineren


16 januari 2012
 
De afgelopen dagen werd er in de media regelmatig aandacht besteed aan het videofilmpje van enkele Amerikaanse mariniers die op gedode Talibaan urineren. Het is in lijn met de scène in de film ‘A few good men’ waarin colonel Nathan R. Jessep USMC, die nadat hij is gearresteerd, tegen advocaat Kaffee roept: “You fucked with the wrong Marine, I’ll tear off your head and piss down your skull”- als ultieme belediging.
 
De Amerikaanse minister van Defensie Panetta zit er mee in zijn maag -  en terecht. Want hoewel ik er nog begrip voor kan hebben dat je met de adrenaline in je lijf na een vuurgevecht op leven en dood je moet afreageren, lijken dit geen ‘after action relief’-beelden als ware het noodweerexces, en is dit niet iets wat je kunt gedogen.
Hoe zit dat in Nederland? Op dit moment – let wel, op dit moment – zal de minister van Defensie bij dergelijk gedrag van enkele van zijn (militaire) ambtenaren, onmiddellijk naar de Tweede Kamer moeten om zich te verantwoorden. Dat kan hij ook, want hij is politiek verantwoordelijk voor het gedrag van al zijn defensiepersoneel.
 
Hoe gaat dat dan straks, wanneer het onzalige idee van enkele van zijn ambtenaren werkelijkheid zou worden, dat militairen een tweezijdig arbeidscontract hebben nadat de ambtenarenstatus is afgeschaft? Hij zal natuurlijk nog steeds naar de Kamer worden geroepen, zoals de minister van Infrastructuur en Milieu ook geregeld naar de Kamer moet wanneer het treinverkeer is lamgelegd door vallende blaadjes.
 
Maar net als zijn collega die een contract heeft met ProRail, kan hij straks alleen maar zeggen dat hij het voorval betreurt en dat hij het arbeidscontract nog eens zal napluizen of dit voorval is voorzien en afgedekt. En dat hij bij de arbeidscontractbesprekingen met nieuwe werknemers zal trachten een paragraaf op te nemen, dat ‘urineren op gedode tegenstanders’ niet kan en reden voor ontslag zal zijn. In het kader van de tweezijdigheid van de arbeidsovereenkomst zal die zinsnede echter leiden tot een hogere loonsom.
 
Het lijkt mij dat nabestaanden zich ook niet meer tot de minister van Defensie wenden, zij zullen de individuele werknemers straf- en civielrechtelijk moeten aanspreken. De krantenkop “Militair betrokken bij vechtpartij in een disco” zal ook snel verdwijnen; wat een Philipsmedewerker op zaterdagavond doet, is geen zaak van de Philips-directeur of de Tweede Kamer.
 
Maar het gaat (helaas) verder. De bijzondere zorgplicht van de overheid jegens veteranen, die net door het parlement in de Veteranenwet is vastgelegd, wordt door het afschaffen van de bijzondere positie van de militairen ook onderuit geschoffeld. De Veteranenwet is immers gebaseerd op die bijzondere positie van de militair – die door en onder directe verantwoordelijkheid van de overheid, willens en wetens in levensgevaarlijke omstandigheden wordt gebracht.
 
Het is in de discussie rond het initiatief wetsvoorstel van Koser Kaya/Van Hijum natuurlijk frappant dat er überhaupt wordt overwogen de (klassieke) kerntaak van (binnenlandse) veiligheid op afstand van de overheid te zetten. Dat is op 6 december jl. met de motie Kuijken/Slob, waarin wordt bepleit dat politieambtenaren (zowel de geüniformeerden als de ondersteuning) ook, net als rechters en militairen, in de uitzonderingsbepalingen moeten worden opgenomen, inmiddels gerepareerd. Anders wordt de deur geopend voor private security companies als het voormalige Blackwater. Immers,  met het afschaffen van de ambtenarenstatus van politie en militairen, staat ook het geweldsmonopolie van de Staat op afstand. En zowel de minister van Justitie en Veiligheid als de minister van Defensie waren in de discussie rond het rapport De Wijkerslooth over piraterijbestrijding nog van mening, dat het geweldsmonopolie aan de Staat toebehoort – net als ik overigens.

Overigens kunnen ook de militairen hun werk niet doen, wanneer zij niet vanuit Nederland en regelmatig ook in het operatiegebied zelf, worden ondersteund door nuttige en kundige burgerambtenaren van het ministerie van Defensie. Ik denk dat bij de sourcingtoets dit criterium ook uitermate belangrijk moet zijn: wat moet Defensie écht zelf kunnen en wat kun je nog uitbesteden. Gewaarborgd moet blijven dat als de leverancier in gebreke blijft, het operationele proces niet (te veel) wordt geschaad.
 
Los van de (klassieke) kerntaak is het voor het defensiepersoneel zeer pijnlijk te moeten ervaren dat er door de opgelegde bezuinigingen eerst grondig wordt gereorganiseerd waarbij 12.600 arbeidsplaatsen verdwijnen en 6.000 gedwongen ontslagen zijn voorzien maar dat daarna het personeel door de eigen werkgever ‘in de aanbieding’ wordt gedaan om het ontslagrecht te versoepelen. Terwijl Defensie juist alle instrumenten in handen heeft met het FPS (flexibel personeelssysteem) om voortdurend te werken aan een gezonde personeelsopbouw, zowel in de jongere/lagere rangen alsook in de oudere/hogere rangen. Life time employment bij Defensie bestaat al niet meer, dat is inmiddels een gegeven, maar heeft de minister zo weinig vertrouwen in zijn eigen flexibel personeelsbeleid dat hij een verdere versoepeling van het ontslagrecht na afronding van de reorganisaties noodzakelijk acht?  Ik zou mij als werkgever van het defensiepersoneel de komende jaren véél meer zorgen maken over de werving en behoud, in een tijdsgewricht waarin de vergrijzing en de ontgroening hard toeslaan, om een voor haar taak berekende defensieorganisatie op de been te kunnen houden met voldoende, gemotiveerd, adequaat opgeleid en getraind personeel.
 
Moeten de beleidsambtenaren die in de naar het NRC gelekte documenten hebben voorgesteld om - vanwege het gemak en het financiële gewin - de militair de ambtenarenstatus te ontnemen, dan worden ontslagen vanwege het doen van onzinnige voorstellen? Natuurlijk niet, zij hebben onder verantwoordelijkheid van hun politieke baas, alle aspecten en mogelijke consequenties van het initiatiefwetsvoorstel van de Kamerleden Koser Kaya (D66) en Van Hijum (CDA) tegen het licht gehouden. Het is juist de ambtenarenstatus die de desbetreffende ambtenaar beschermt tegen politieke willekeur. Daarbij zijn de in de documenten gedane voorstellen nog geen vastgesteld beleid, al geven ze wel de denktrant weer van (een deel van) het defensieambtenarenkorps.
 
De uitgelekte voorstellen worden breed ervaren als ‘urineren op het defensiepersoneel’: we voelen ons afgezeken.
Het lijkt mij dan ook dat minister Hillen, op 24 januari 2012 in het Sector Overleg Defensie, zal vaststellen dat de enige juiste koers voor Defensie in dezen is, ál het defensiepersoneel de ambtenarenstatus te laten behouden, omdat het:
  • voortdurend inzetgereed moet zijn en daarbij namens en onder verantwoordelijkheid van de Staat beheerst en proportioneel geweld toepast (militairen);
  • direct bijdraagt aan het operationele product (militairen en burgerpersoneel van de bedrijven. Immers, de komende jaren wordt al het defensiepersoneel dat zich niet bezighoudt met het (ondersteunen) van het operationele product geoutsourcet);
  • beleid moet voorbereiden en maken en derhalve beschermd moet blijven tegen politieke willekeur.
 
Met die vaststelling kunnen we dit onfrisse hoofdstuk afsluiten en achter ons laten. Want er liggen nog enorme uitdagingen vóór ons: reorganiseren en het personeelsbeleid voor de toekomst.

Uw voorzitter

Reageren?