Inzet

16 februari 2010

Ik citeer onze minister van Defensie uit zijn eigen Defensiekrant: “2010 wordt een zwaar jaar. In 2010 zullen meer militairen buiten onze landsgrenzen actief zijn dan ooit”. En: “Een leger bestaat om ingezet te worden, zeker een expeditionair leger zoals de Nederlandse krijgsmacht”. Hoe kan de wereld in twee decennia drastisch wijzigen: er was voor 1989 geen Nederlandse minister van Defensie die wenste (of zelfs eiste) dat het leger daadwerkelijk werd ingezet.

Afgezien daarvan, de harde cijfers omtrent die daadwerkelijke inzet: in juni 2006 waren 2.057 militairen op missie. Volgens de Defensie website in februari 2010: 2.304. Met een club in de afronding en één club in de voorbereiding: 7.000 militairen daadwerkelijk bezig met uitzending.

In de periode tussen 2003 en 2008 is het aantal voltijdfuncties met 11.000 afgenomen (bron: CBS-rapportage over het dalende aandeel van de defensie-uitgaven in het totaal van de uitgaven van de rijksoverheid).

In de jaren 2007 – 2009 is de niet-planmatige uitstroom zodanig groot geweest, dat bijvoorbeeld in 2008 er 16% vacatures waren. Dit is in 2009 nauwelijks afgenomen, er zijn nu ongeveer 6.000 niet-geplande vacatures, juist in de leeftijdscategorie die het merendeel van de operationele functies moet vullen, de 30 – 45-jarigen.

De instroom van nieuw personeel is gelukkig aangetrokken, maar alleen ongeveer de vervangingsvraag, géén surplus om de opgelopen niet-planmatige vacatures in te lopen. De jaarlijkse vervangingsvraag betreft ongeveer 6.000 militairen. Onze staatssecretaris heeft zelfs aan de Tweede Kamer gemeld dat de niet-planmatige vacatures bewust maar mondjesmaat zullen worden ingelopen: meer instroom kan Defensie niet aan vanwege het gebrek aan instructeurs en het gebrek aan geld.

De operationele belasting (dat kun je zowel uitzenddruk als inzetdruk noemen) voor het wel inzetbare personeel is daardoor toegenomen, zowel in relatieve als in absolute zin, immers:
- méér militairen tegelijk op uitzending;
- minder voltijdsfuncties;
- van die voltijdsfuncties ook nog eens een fors percentage vacant;
- veel militairen boven de operationele leeftijd van 55 jaar;
- véél militairen in opleiding, die nog niet uitzendbaar zijn (en waardoor ook véél kaderleden als instructeur worden ingezet en daardoor niet op uitzending kunnen).

Wanneer al deze cijfers bij elkaar worden opgeteld, wordt duidelijk dat op dit moment een beperkt deel van het personeel alle inzetdruk te verwerken heeft. En dat beperkte deel wordt nog kleiner (en de navenant ervaren uitzenddruk hoger) wanneer de niet-planmatige uitstroom weer toeneemt als de economie weer wat aantrekt. Want goed opgeleide oud-militairen zijn nog steeds gewild op de Nederlandse arbeidsmarkt, zeker met de vergrijzingsgolf en de ontgroening die op ons allen afkomt.

Daarom moet je nu investeren om het militaire beroep aantrekkelijk te houden en zelfs aantrekkelijker te maken. Dat vraagt inzet van de defensieleiding, de staatssecretaris voorop, dat vraagt om méér dan een obligate zin in een inzetbrief.

Zoals onze bondgenoten, de Amerikanen plegen te zeggen: ‘Put your money where your mouth is”.

Uw voorzitter

Reageren? voorzitter@kvmo.nl



[ HOME ]

© 2010 - Koninklijke Vereniging van Marineofficieren - KVMO
webdesign: Fur Data | Fur Group

KVMO | Koninklijke Vereniging van Marineofficieren
Wassenaarseweg 2b
2596 CH  Den Haag
Telefoon :
Fax :
E-mail :
Internet :
070 - 38 39 504
070 - 38 35 911
info@kvmo.nl
www.kvmo.nl