Tussen hoop en vrees

20 sept 2016
1984 keer
Tussen hoop en vrees
De Beleidsnota voor Defensie 2017 is een nota tussen ‘hoop en vrees’. De ambtenaren op het Ministerie van Defensie hebben goed werk geleverd. Op de analyse van zowel de dreigingssituatie als de personele en materiële gereedheid van Defensie valt niets aan te merken. Het is daarom dan ook teleurstellend om te moeten constateren dat het kabinet geen daadkracht heeft getoond om een begin te maken met het opbouwen van een voor haar taak berekende krijgsmacht. Er gaat wederom een jaar verloren en het defensiepersoneel moet de hoop gaan vestigen op een nieuw kabinet.

Begroting 2017 en de Koninklijke Marine
Het kabinet maakt net als vorig jaar de cijfers mooier dan dat ze in werkelijkheid zijn. Op de 300 miljoen euro die het kabinet aan Defensie toebedeeld, wordt door de minister van Defensie 103 miljoen teruggevorderd. Er blijft dus nog maar 197 miljoen euro over. Dit bedrag komt ongeveer overeen met het exploitatietekort dat Defensie in 2016 op haar begroting had.

Naast de bovengenoemde 197 miljoen euro ontvangt Defensie een gedeeltelijke compensatie van 40 miljoen euro voor het in de Voorjaarsnota geconstateerde koopkrachtverlies van 160 miljoen euro. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door de dollarproblematiek die Defensie hard raakt. Voor een definitieve oplossing van dit probleem wordt de hoop eveneens gevestigd op het nieuwe kabinet. De exploitatie van de Kustwacht in de West, die eveneens onder zware druk staat ten gevolge van de hoge dollarkoers, zal eveneens worden verhoogd om dit probleem te ondervangen. Het budget van CARIB zal incidenteel met 4 miljoen euro worden verhoogd.

Een voor haar taak berekende Zeemacht
In het voorjaar heeft de KVMO, in het Deltaplan voor Defensie, haar grote zorgen uitgesproken over de toekomst van onze Koninklijke Marine. In de periode 2023-2035 moeten maar liefs 23 eenheden worden vervangen omdat zij hun ‘End of lifetype’ hebben bereikt. Uit het overzicht wapensystemen en overige kostensoorten blijkt dat deze zorg niet wordt weggenomen. Doordat de 197 miljoen die het kabinet aan Defensie toebedeeld wordt geïnvesteerd in het verbeteren van de personele en materiele gereedheid wordt er geen extra geld ter beschikking gesteld voor diepte investeringen in de Krijgsmacht. Ook op dit punt wordt het gebrek aan daadkracht van dit kabinet pijnlijk duidelijk. De gevolgen voor de Koninklijke Marine zijn evident. Er worden geen besluiten genomen over de vervanging van de M- fregatten, onderzeeboten of AMBV’s. Vervangingen die broodnodig zijn om de inzet van de marine in de nabije toekomst te kunnen garanderen. In het ergste geval loopt de marine het risico dat de vervangingen helemaal niet meer worden gepleegd door gebrek aan budget. Door het uitstellen van de vervangingen zal de exploitatie de komende jaren aanzienlijk stijgen om de sterk verouderde vloot in de vaart te houden.

Het uitstellen van onderhoudsperiodes (bijvoorbeeld Zr.Ms. Rotterdam) om het niet meer ter beschikking hebben van schepen, ten gevolgen van een te ver ingekrompen vloot, op te kunnen vangen zal dit laatste effect juist versterken.

Conclusie
Ondanks de ’trendbreuk’ van de afgelopen jaren laat het kabinet Rutte II de krijgsmacht en dus ook de Koninklijke Marine leven tussen hoop en vrees. De problemen zijn alom bekend maar de huidige politici zetten geen serieuze stappen om deze aan te pakken. Ze wijzen naar een nieuw kabinet die de ‘kaalslag van defensie’ van de afgelopen jaren zal moeten repareren. Doordat het kabinet niet heeft doorgepakt is er vooralsnog geen meerjarenperspectief voor Defensie en haar personeel. De onzekerheid over een voor haar taak berekende krijgsmacht blijft voortbestaan met alle gevolgen voor het imago van Defensie en dus ook de werving en het behoud van personeel.

KVMO  |  Wassenaarseweg 2, 2596 CH Den Haag  |  070 - 383 95 04