Into Africa

09 mrt 2015
2322 keer
In zeer korte tijd worden de ‘vakbondsvoorzitters’ geïnformeerd over de stand van zaken van de missie en vindt er een meet and greet met het personeel plaats. In zeer korte tijd worden de ‘vakbondsvoorzitters’ geïnformeerd over de stand van zaken van de missie en vindt er een meet and greet met het personeel plaats. Bron foto: KVMO

Afgelopen week was ik op uitnodiging van de Hoofddirecteur Personeel op werkbezoek naar het Midden-Oosten en Mali. Werkbezoeken vind ik één van de leukste aspecten van mijn functie.

In zeer korte tijd worden de ‘vakbondsvoorzitters’ geïnformeerd over de stand van zaken van de missie en vindt er een meet and greet met het personeel plaats. Tijdens deze meet and greets hoor je ongecensureerd wat er onder het personeel leeft in een uitzendgebied. In het Midden-Oosten werd een krachtig signaal afgegeven: onder het personeel heeft de missie een groot draagvlak. Dit laatste is logisch: men maakt zich niet alleen in het Midden-Oosten zorgen over de opkomst van IS. Ook het thuisfront maakt zich zorgen over de ontwikkelingen in Europa en dat heeft tot gevolg dat het draagvlak voor de zoveelste uitzending van de partner een stuk groter is.

Een zorg die je voornamelijk bij de (schaarse) specialisten hoort is de zorg over de ‘zoveelste’ uitzending. Door alle reorganisaties is de spoeling in sommige functies heel erg dun geworden en kan er op dit moment nog maar net worden voldaan aan de uitzendbescherming. Een ontwikkeling die goed in de gaten moet worden gehouden en waar de organisatie tijdig op dient te anticiperen, dit omdat de signalen nu al door het personeel worden afgegeven. Uiteindelijk heb je voldoende gekwalificeerd personeel nodig om onze wapensystemen efficiënt in te kunnen zetten.

Het leuke van het ontmoeten van collega’s van andere OPCO’s is dat je wordt ingewijd in hun tradities. Al is er volgens mij eerder sprake van bijgeloof dan tradities. Zo laten F16 piloten hun snor staan op het moment dat zij echte gevechtshandelingen moeten verrichten. De traditie is gebaseerd op een waargebeurd verhaal van een piloot die werd verplicht om zijn snor af te scheren. Bij zijn eerstvolgende ‘snorloze’ missie werd hij neergeschoten. Sindsdien is het te doen gebruikelijk dat F-16 piloten hun snor laten staan.

Een aspect dat niet voor het eerst tijdens werkbezoeken werd opgebracht waren de toelages. Officieren begrijpen niet, zeker de F16 piloot die het meeste gevaar loopt tijdens een missie, dat zij netto aanzienlijk minder overhouden van hun bruto toelages dan bijvoorbeeld de (onderhouds- en logistieke) onderofficieren. Wel de verantwoordelijkheid, maar niet een netto toelage die financieel minstens gelijkwaardig is aan die van collega’s die in een lagere belastingschijf zitten.

Het bezoek aan Mali vond ik een bijzondere ervaring. Niet vanwege het land, want het is nu niet het land dat ik voor mijn vakantiebestemming zou uitkiezen. De bijzondere ervaring is gelegen in het feit dat onze collega’s van de CLAS en CLSK in zeer korte tijd een stenen zandbak hebben getransformeerd naar een goed leefbare omgeving. De genisten hebben een wereldprestatie geleverd én zeker de eerste rotatie, die vanuit het niets is begonnen onder zware omstandigheden. Omstandigheden die we veel meer zouden moeten uitventen. Ik kan me bijvoorbeeld voorstellen dat er van een dergelijk proces een NPO-documentaire wordt gemaakt. Een beter beeld van de bijzondere positie kan volgens mij niet worden geschetst. In een vijandige omgeving, onder klimatologisch zeer zware omstandigheden, met de ‘can do’ mentaliteit alle tegenslagen overwinnen.

Het lijkt mij ook een goed idee dat er meteen ook (interdepartementale) beleidsmedewerkers meegaan. Dan krijgen ze misschien een beter inzicht in het militaire beroep. Een inzicht dat ze dan hopelijk doet beseffen dat de bijzondere positie en dus de werkzaamheden van de militair veelal haaks staan op maatschappelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die natuurlijk één op één bij Defensie zijn in te voeren, maar tot gevolg hebben dat het fragiele evenwicht tussen ‘wat kan je redelijker wijs nog (extra) van de militair verwachten’ en ‘wat stel je daar tegenover’ in onbalans brengt.

In tegenstelling tot vorige werkbezoeken viel mij op dat er weinig werd ‘geklaagd’, toch de nationale sport in Nederland. Een teken dat het personeel zich ‘senang’ voelt. Men vindt, terecht, dat men nuttig werk doet en dat men zich geen zorgen maakt over zijn of haar baan.
Ik vond het een bijzondere ervaring. Een gevoel van trots om deel uit te maken van een organisatie met zeer toegewijde professionele collega’s, die in de frontlinie hun werkzaamheden namens de B.V. Nederland verricht. Dat zouden we vaker en beter moeten uitventen. De Malinezen doen dit namelijk wel dagelijks richting onze militairen, want zij plukken iedere dag de zoete vruchten van onze aanwezigheid.

KVMO  |  Wassenaarseweg 2, 2596 CH Den Haag  |  070 - 383 95 04