Colijn begint zijn artikel met twee uitspraken van de huidige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Hanke Bruins Slot. De eerste uit 2018, waarin zij stelt dat Defensie het geld toch niet kan wegzetten. De tweede betreft haar eigen ervaring van ruim tien jaar geleden waarbij het aanvraagproces van uitrusting, in dit geval een helm, tevergeefs is door allerhande bureaucratie. Ik kan legio voorbeelden noemen van dingen die wel goed gaan, bijvoorbeeld helikopteronderdelen, die binnen 24 tot 48 uur vanuit Nederland naar marineschepen zijn verstuurd en ontvangen, zowel in het Caribisch gebied als bijvoorbeeld in Djibouti. En als er dingen niet goed gaan, wat met enige regelmatig het geval is bij Defensie, is dit geenszins reden hiermee te stoppen. Men zal deze processen trachten te verbeteren en te zorgen dat eenheden hun spullen wél op tijd krijgen. Voor wat betreft het wegzetten van de grotere bedragen kan evenwel nog veel verbeterd worden. Met name de bureaucratische processen kunnen sneller door hier bijvoorbeeld overbodige schijven tussenuit te halen, maar ook door gebruik te maken van bestaande uitzonderingen voor defensiematerieel binnen de Europese aanbestedingsregels. Ook de strakke regels voor overheidsfinanciën, bijvoorbeeld dat ministeries budget niet naar een volgend jaar mogen doorschuiven, leveren een door onszelf opgelegde beperking op. Door die barrière weg te halen ontstaat meer ruimte het geld op verantwoorde wijze uit te geven.
De auteur plaatst ook vraagtekens bij de toegenomen defensiebegroting, omdat we toch al meer uitgeven dan Rusland. Getalsmatig heeft hij gelijk, echter een bezoekje aan bijvoorbeeld de website van SIPRI (sipri.org) leert ons al dat de getallen niet een op een vergelijkbaar zijn. Zo besteedt Rusland bijna het dubbele van de defensie-uitgaven aan investeringen t.o.v. van veel Westerse landen (globaal 40% vs. 20%). Daarnaast is het prijspeil in Rusland veel lager, waardoor Rusland voor dezelfde hoeveelheid geld meer kan kopen. Lonen en pensioenen maken deel uit van het budget (net als in bijv. Nederland), maar omdat die ook veel lager zijn dan in Nederland is het daadwerkelijke verschil in uitgaven kleiner dan de cijfers doen vermoeden. Verder heeft Rusland nog enorme voorraden uit de Koude Oorlog in opslag. Dit materiaal is geenszins op afroep inzetbaar of effectief, maar bijvoorbeeld artillerie is prima bruikbaar. Ook de oudere modellen. Daarnaast kan men oudere (pantser)voertuigen achter de frontlinie inzetten, waardoor de modernere voertuigen vrijkomen voor taken aan het front.
Vervolgens stelt scribent van voorgenoemd artikel dat veel geïnvesteerd moet worden in het herstel van Defensie, waaronder het vastgoed, onderdelen en munitie. Hetzelfde geldt voor personeel: ook daar moet volgens hem meer geld naar toe. Op beide punten ben ik het volledig met hem eens; wat dus geen reden is om minder geld voor Defensie te alloceren.
'Veiligheid is nou eenmaal duur en het defensieapparaat heeft een inherente inefficiëntie: we kopen dure middelen, waarvan we hopen dat we ze nooit echt nodig zullen hebben'
Voor wat betreft de investeringen in m.n. de marine-eenheden vindt Colijn dat investeren in onderzeeboten te duur is en te lang duurt. Met dat laatste ben ik het eens, maar dat hadden we kunnen voorkomen door veel eerder een besluit te nemen. Daar is nu niets meer aan te doen. Des te belangrijker is het om snel het besluit tot aankoop van nieuwe boten te nemen, gezien de lange periode tot deze operationeel zijn. De NAVO heeft aangegeven behoefte te hebben aan het soort boten dat Nederland heeft en de operaties waarvoor zij inzetbaar zijn. Het aanschaffen van maritieme patrouillevliegtuigen is op geen enkele manier een alternatief voor de operaties waarvoor onderzeeboten op pad gestuurd worden. Voor het vervangen van een onderzeeboot, die zes weken op patrouille is in een bepaald gebied, zouden vele tientallen vluchten nodig zijn. Daarnaast is een patrouillevliegtuig gemakkelijker te detecteren dan een onderzeeboot, wat de kwetsbaarheid verhoogd. En bij vliegmissies in internationaal verband moet je er zeker van zijn dat alle landen blijven participeren, voordat gaten in het schema ontstaan. Denk hierbij aan het NATO AWACS-vliegtuig bij Libië in 2011. Omdat de Duitsers niet meededen, kon de NATO ze daar niet inzetten. Ik ben overigens niet tegen het aanschaffen van maritieme patrouillevliegtuigen, daar het een zeer waardevolle aanvulling vormt naast de al bestaande capaciteit. De MQ-9 Reapers beschikken helaas niet over een maritieme radar waardoor ze beperkt inzetbaar zijn boven zee. Overigens ligt Valkenburg er nog, maar ook dat zal om een behoorlijke investering vragen alvorens het operationeel kan zijn, nog afgezien van de huidige woningbouwplannen die er voor die locatie zijn. En helaas lijkt Colijn ook weer in de oude val te trappen dat goedkoper beter is. De focus van de afgelopen jaren op efficiëntie in plaats van effectiviteit heeft de krijgsmacht flink uitgehold. Veiligheid is nou eenmaal duur en het defensieapparaat heeft een inherente inefficiëntie: we kopen dure middelen, waarvan we hopen dat we ze nooit echt nodig zullen hebben.
Vervolgens wijst Colijn naar de lobby voor het kopen van extra marineschepen en komt hij met drie waarschuwingen. De eerste is dat het gaat om onze veiligheid en niet de instandhouding van een marinecluster. Dat ben ik helemaal met hem eens. Dat we daarom echter geen geld in onze eigen industrie zouden moeten steken kan ik daarmee niet rijmen.
We moeten sowieso investeren in onze veiligheid en dat kan prima in combinatie met investeren in onze eigen industrie. De Nederlandse scheepswerven bouwen ook fregatten, bevoorradingsschepen en amfibische transportschepen. Het hier alleen noemen van het vervangingstraject onderzeeboten is wel erg eenzijdig. Nieuwe fregatten hebben we hard nodig. De huidige generatie is rap aan het verouderen en de Oceangoing Patrol Vessels (OPV’s) zijn niet geschikt in een gewapend conflict hoger in het geweldspectrum. En net als dat wij uitrusting in andere landen kopen, kunnen andere landen dat ook hier doen. Een mooier voorbeeld van Europese samenwerking in internationaal defensiebeleid is er niet.Als tweede waarschuwt Colijn voor de kwetsbaarheid van marineschepen, met het zinken van de Russische kruiser Moskva als voorbeeld. Precies veertig jaar geleden vochten het Verenigd Koninkrijk en Argentinië de Falklandoorlog uit. Ook in die oorlog zijn schepen geraakt en gezonken door antischipraketten. De Britten konden dat conflict alleen maar beslechten door het sturen van een vloot en dat brengt risico’s met zich mee. Maar geen cyberwapen of drone had hetzelfde resultaat kunnen bereiken. Wat er mis is gegaan met de Moskva is nog niet duidelijk, maar het is aannemelijk dat haar ouderdom en die van haar wapensystemen heeft meegespeeld, evenals het niet goed op orde hebben van de brandbestrijding en damage control. De haven van Odessa is evengoed nog steeds geblokkeerd door Russische oorlogsschepen waardoor zij nog altijd een zeer grote rol spelen in het conflict, zo niet op wereldniveau. Denk daarbij aan de miljarden kilo’s graan die als gevolg van de Russische zeeblokkade niet geëxporteerd kunnen worden. Dat is weldra geen militair probleem, maar een economisch. Oorlogsschepen hebben nog steeds diverse rollen te spelen in conflicten en daarvoor moeten deze de juiste uitrusting hebben. Dus met moderne sensoren en (zelfverdedigings)wapens. Dit geldt overigens ook voor Zr.Ms. Den Helder, het nieuwe Combat Support Ship. Om financiële redenen zijn die nu achterwegen gelaten. Echter zoals Colijn zegt, het gaat om veiligheid en daarom moeten we er alsnog in investeren.
'Met het meevaren met de Britse Carrier Strike Group laat je zien dat je een betrouwbare bondgenoot bent, draag je bij aan de Nederlandse belangen overzee en aan de interoperabiliteit met bondgenoten'
De derde waarschuwing is in mijn ogen geen waarschuwing, maar een mening. De auteur vindt dat Nederland zich meer op Europa moet focussen. Ook noemt hij het meesturen van het luchtverdedigings- en commandofregat Zr.Ms. Evertsen met de Britten waanzin. Nederlandse belangen houden niet op bij de grenzen van Europa en mijn mening is dat we ook daarbuiten onze belangen moeten durven te behartigen. Of het nou Mali, het Caribisch gebied of de Indische Oceaan betreft, we moeten niet alleen afhankelijk zijn van anderen. En met het meevaren met de Britse Carrier Strike Group laat je zien dat je een betrouwbare bondgenoot bent, draag je bij aan de Nederlandse belangen overzee en aan de interoperabiliteit met bondgenoten. V.w.b. de investeringen in tanks, ik ben geen deskundige op dat gebied. Maar als ik op mijn collega’s van de Landmacht afga, die dat wel hebben, is de rol van de tank nog lang niet uitgespeeld. Wel zullen de gebruikers het optreden moeten aanpassen aan de nieuwe omgeving, waarin drones een veel grotere rol (gaan) spelen. Maar ook dat is van alle tijden, je past je aan naar gelang de omstandigheden om te overleven en te overwinnen. Ook het conflict in Oekraïne win je niet alleen met drones of slimme cyberwapens.
Tot slot, is de luchtmacht tot nu toe de grote lobbywinnaar, zoals Colijn beweert? Geen idee en niet relevant. Deze poging om de tegenstelling tussen krijgsmachtdelen aan te wakkeren is nergens voor nodig. Net als alle andere wapensystemen zijn ook de F-35’s een belangrijke schakel in de huidige multi-domein oorlogsvoering. Alle domeinen vullen elkaar aan. De kans bestaat dat er onvoldoende geld zal zijn om alle wensen te vervullen. Dan zal het kabinet keuzes moeten maken op grond van rationele argumenten het geld verantwoord uit te geven. Daarin hebben scepsis en een paar slechte ervaringen uit een lang verleden geen rol.KLTZ EMSD R.O.P. Pulles, voorzitter Koninklijke Vereniging van Marineofficieren